Wrede wapenboeren of amorele Übermenschen?
Over de handelaren des doods van Rheinmetall
Luister naar wat de elite te vertellen heeft als ze zich onbespied waant, raadde de Brits-Amerikaanse historicus van het heden, Adam Tooze, ooit een bijeenkomst van Nederlandse onderzoeksjournalisten aan, die ik mocht voorzitten.
Dat schoot door mijn hoofd toen ik vorige week een stuk in de Financial Times las, dat ging over Rheinmetall, de grootste wapenfabrikant van Duitsland. Het bedrijf is bekend van de machtige Leopard 2-tank, waar ik in een vorig leven, in de vroege jaren tachtig, als dienstplichtig huzaar (van Alexander), gelegerd in de Bernhard Kazerne in Amersfoort, schutter op ben geweest.
Het stuk was een mix van datajournalistiek, analyse van de recente lotgevallen van de Europese wapenindustrie in het algemeen en Rheinmetall in het bijzonder, gelardeerd met citaten van Amerikaanse beleggingsanalisten, Duitse politici, defensiespecialisten en van de 63-jarige ceo van Rheinmetall, Armin Papperger.
Het blonk niet alleen uit door fantastische datavisualisatie, maar ook door het beleggersperspectief van waaruit het was geschreven. Zo bevatte het een historisch overzicht van de gemiddelde jaarverkopen van de grote Europese wapenindustrieën van het vierde kwartaal van 2019 tot en met het eerste kwartaal van 2026.
Voor wie geld heeft om te beleggen maar is uitgekeken op duurzaamheid en vreest voor het spatten van de AI zeepbel, is defensie een zeer aanlokkelijk alternatief.
Dat gaf niet alleen een indringend beeld van de immense stijging van de wapenverkopen — van € 20 miljard op jaarbasis van het Britse BAE Systems in 2019 naar bijna het dubbele in 2016 — maar liet ook fraai de onstuimige groei van Rheinmetall zien: van vijfde grootste Europese wapenproducent in 2019 via een reeks van haasje-over sprongen naar tweede grootste in 2026, pal achter het Britse BAE Systems maar voor het Franse Thales, het Italiaanse Leonardo en het opnieuw Franse Dassault.
Terwijl het leeuwendeel van de Europese wapengelden ook anno 2026 toch echt in de VS neerslaat: tussen 2022 en 2024 ging tussen de 51 en 64 procent van de Europese bestedingen aan militair materieel naar Amerikaanse producenten, terwijl omgekeerd, Europese lidstaten in 2024 tekenden voor nipt de helft van alle Amerikaanse wapenexporten. En ook al hebben Europese regeringsleiders de mond vol van regionaal economisch patriottisme (‘Buy European’), dit is een situatie die niet snel zal veranderen, al was het maar vanwege capaciteitsbeperkingen.
Het was gebaseerd op data verzameld door analisten van Bank of America, een van de grootste Amerikaanse banken, die kennelijk haar overwegend Amerikaanse clientèle wil lokken met de uit zijn voegen barstende omzet- en winstcijfers van Europese wapenfabrikanten.
Likkebaardend kijkt men aan de overkant van de plas naar de winstmogelijkheden die liggen vervat in de snelle groei van de defensie-uitgaven van de Europese lidstaten van de NAVO: een verdubbeling tussen 2019 en 2026, van net onder de € 200 miljard per jaar naar net onder de € 400 miljard per jaar.
En stijgend. Want zoals de fractieleider van de Christendemocraten in het Europees Parlement, Manfred Weber, eind vorig jaar triomfantelijk wist te melden: tot 2035 gaan de lidstaten van de Europese Unie in totaal een onwaarschijnlijke € 6400 miljard aan wapentuig uitgeven: dat is een 6 met twaalf nullen (!). En komt neer op € 640 miljard per jaar, een stijging van meer dan vijftig procent in vergelijking met de uitgaven nu.
Voor wie geld heeft om te beleggen maar is uitgekeken op duurzaamheid en vreest voor het spatten van de AI zeepbel, is defensie een zeer aanlokkelijk alternatief. Zeker nu patriottisme het geweten sust: alles om de Russen buiten de deur te houden.
Bijkomend voordeel: het is zo goed als risicovrij.
Neem Rheinmetall: in 2024 was 57 procent van de aandelen van het bedrijf in bezit van grote institutionele beleggers en verdeelden private partijen en andere beleggers onderling de rest. De grootste aandeelhouders zijn, aldus Wikipedia, respectievelijk Blackrock (7.07 %), Bank of America (4.64 %), Morgan Stanley (4.37 %) en Goldman Sachs (4.06 %), alle vier afkomstig uit de VS waar beleggen in wapentuig minder taboe is dan in Europa. Voor de analisten van Morgan Stanley is Rheinmetall zelfs dé beleggingstip van 2026.
Bijkomend voordeel: het is zo goed als risicovrij.
Net als destijds met de banken is de verwevenheid met de staat zo groot dat een faillissement zo goed als ondenkbaar is — per slot van rekening opereren dit soort bedrijven op wat je ‘relationele markten’ zou kunnen noemen. De producten zijn de uitkomst van lange onderhandelingen tussen klant en producent over de gewenste specificaties, moeten uitzonderlijk lang meegaan (een tank gaat veertig jaar mee, de B-52 bommenwerper dateert van 1952 maar is nog steeds operationeel) en gaan gepaard met langlopende reparatie-, onderhoud- en revisiecontracten, waardoor de klant niet zomaar weg kan lopen en de marktmacht verschuift van de consument naar de producent: of in termen van Albert Hirschman, geen ‘exit’ en dus ‘voice’ en ‘loyalty’.
Daar waar de straf van het bankroet ontbreekt, kent het ego van de ceo geen grenzen.
Dat verklaart op zijn beurt — weer, net als bij de banken — het vaak bedrijfseconomisch roekeloze en potentieel verspillend gedrag van dit soort bedrijven. Zelfs bij opzichtig wanpresteren is het hoogst onwaarschijnlijk dat een opdracht waar zo lang aan gewerkt is en waar beide partijen zoveel in hebben geïnvesteerd weer wordt teruggenomen.
En daar waar de straf van het bankroet ontbreekt, kent het ego van de ceo geen grenzen — zo heeft de bankencrisis van 2008 indringend geleerd.
En hier wordt het voor de belastingbetaler interessant — die moet het per slot van rekening allemaal betalen. En ja, voor ‘ons’ mag geopolitieke veiligheid dan een bestaansvoorwaarde zijn waar ‘we’ volgens de politico’s alles voor over moeten hebben, voor ‘hen’ geldt uiteindelijk alleen wat er onder de streep over blijft. ‘Zij’ doen het niet voor niks en maken derhalve grif misbruik van onze angst. ‘Onze jongens’ van wapens voorzien heeft namelijk niets met patriottisme of liefdadigheid vandoen, maar dient maar een doel: winstmaximalisatie, hoe meer, hoe beter.
Dat is nu eenmaal de aard van het kapitalisme.
En dat begrijpen Rheinmetall en zijn ceo dondersgoed, zo laat het stuk zien: de buitenkans van de Westerse oorlogshysterie aangrijpen om een zo groot mogelijk deel van de vrijkomende defensiegelden naar zich toe te trekken, dat is waar het Rheinmetall om gaat.
Meesurfen op de ongekende stijging van de Europese defensiebestedingen en de poging van Europese regeringsleiders om te ontkoppelen van de Amerikaanse wapenindustrie. Wat kan er in hemelsnaam misgaan?
Bekend als producent van zwaar materieel met een grote staalcomponent — tanks, transportvoertuigen, geschut, munitie, en, na de tweede wereldoorlog: typemachines en auto-onderdelen — is het bedrijf vanaf de Russische inval in Oekraïne bezig zichzelf te heruitvinden als producent van high tech wapensystemen: dat is waar de winsten zitten. Niet alleen is het zo onderdeel geworden van de complexe (en dure) productieketen van de F-35, ook drones en scheepsbouw zijn productlijnen van het nieuwe Rheinmetall geworden.
En de laatste uitbreidingsplannen betreffen het militaire ruimteprogramma dat de Duitse staat met € 35 miljard in vier jaar uit de grond wil stampen. Op maar liefst drie projecten met een totale waarde van € 20 miljard heeft Rheinmetall ingetekend, ook al had het bedrijf hier tot voor kort naar eigen zeggen ‘geen kaas van gegeten’ (‘no clue’).
En dat is slechts het begin. Papperger laat weten tegen 2030 ongeveer € 300 miljard aan Europese defensiecontracten te willen hebben gepakt (‘catch’), pakweg 15 (!) procent van de € 2000 miljard die de EU lidstaten tot aan 2030 voornemens zijn uit te geven. De € 10 miljard omzet die het bedrijf in 2025 boekte, moet in 2030 vervijfvoudigd zijn: meesurfen op de ongekende stijging van de Europese defensiebestedingen en de poging van Europese regeringsleiders om te ontkoppelen van de Amerikaanse wapenindustrie.
Wat kan er in hemelsnaam misgaan, zo vraag je je cynisch af.
Een hoop, zo leert het stuk. Ook al zijn zittende politici zeer in hun nopjes met Rheinmetall dat als een grote stofzuiger alle Duitse militaire wensen opzuigt — ‘met Rheinmetall hebben we een speler die grote orders aankan, op grote schaal kan produceren en zich kan meten met wereldwijde defensiebedrijven,’ zo laat een CDU-politicus trots optekenen —, de prestaties van het bedrijf zijn echter niet om over naar huis te schrijven.
Als je vrede wil, moet je je op oorlog voorbereiden, en wie zich op een oorlog voorbereidt, moet niet op een euro meer of minder kijken.
De beloofde munitiefabriek in Oekraine staat er nog steeds niet, en hetzelfde geldt voor de tankreparatie- en -onderhoudscentra in Litouwen. Of neem het Skyranger anti-drone geschut: de opdrachtgever wacht nog steeds. Ook de digitalisering van het communicatiesysteem van het Duitse leger dat Rheinmetall voor zijn rekening zou nemen, heeft vertraging opgelopen. En de overname van uiterst gespecialiseerde marinewerven doet analisten hun hart vasthouden. Net als het aanbod om het fregattenprogramma over te nemen dat bij de Nederlandse werf Daamen loopt en daar vertraging heeft opgelopen: neemt Rheinmetall niet teveel hooi op zijn vork?
Het antwoord van een defensiespecalist op deze vraag is veelzeggend: waarschijnlijk wel maar het belangrijkste is dat er tenminste bedrijven met ambitie zijn. Het geld moet immers wel kunnen worden weggezet. Oftewel, als je vrede wil, moet je je op oorlog voorbereiden, en wie zich op een oorlog voorbereidt, moet niet op een euro meer of minder kijken — voorwaar een onthutsende uitspraak voor burgers die er in een halve eeuw neoliberalisme aan gewend zijn geraakt dat er nooit ergens geld voor is maar dat er altijd alleen maar geld af moet: infrastructuur, sociale zekerheid, volkshuisvesting, onderwijs, ov, jeugdzorg, psychiatrische zorg, noem maar op.
Pistorius: ‘Wij willen dat u succesvol bent, want uw succes betekent veiligheid voor ons land.’
Bijkomende vraag: is Rheinmetall politiek niet te invloedrijk?
Of anders: is hier geen sprake van netwerkcorruptie?
Het lijkt er wel op. Zo ging een opdracht voor een lasersysteem voor de Duitse marine linea recta naar Rheinmetall, zonder een open aanbesteding, ook al had een concurrent zo’n systeem op de plank liggen. En ook voor de eerder genoemde pakketten voor de ontwikkeling van militaire satellieten werden de Europese aanbestedingsregels gepasseerd. En zelfs als Rheinmetall een enkele keer een bieding verliest, zijn Duitse politici er als de kippen bij om het Duitse ministerie van defensie onder druk te zetten en de beslissing in het voordeel van Rheinmetall terug te draaien. In de woorden die de Duitse minister van defensie, Boris Pistorius, onlangs op een wapenbeurs uitsprak, wijzend naar Papperger, die naast hem stond:
‘Wij willen dat u succesvol bent, want uw succes betekent veiligheid voor ons land.’
En dat mag kennelijk een bom duiten kosten, ook al gaat het om publiek geld.
Papperger zelf boert er ondertussen namelijk goed van. € 4 miljoen mocht hij in 2024 aan basissalaris en bonussen bijschrijven. En toen in augustus 2025 het gerucht ging dat Trump aanstuurde op vrede in Oekraïne en het aandeel Rheinmetall vanwege de angst voor vrede onder beleggers (‘Friedensangst’, in goed Duits) een kwart van zijn waarde verloor, kocht Papperger snel voor € 2.8 miljoen aan aandelen Rheinmetall bij, die hem, op papier althans, tijdens de daaropvolgende rally in defensie-aandelen veroorzaakt door Trumps Groenland rel, zomaar zeven ton opleverde — waarvan het merendeel sindsdien overigens weer in rook is opgegaan.
‘Herbewapening’ en ‘remilitarisering’ zijn verkeerde termen. Ze suggereren dat er jarenlang geen geld naar het Militair-Industrieel Complex is gegaan, wat pertinent onwaar is.
Jarenlang verkeerde de wapenindustrie in betrekkelijke politieke en publicitaire luwte. Staten beschouwden defensie als een noodzakelijk kwaad waar ze zo min mogelijk omkijken naar wilde hebben. Dat wil niet zeggen dat er geen forse publieke geldstromen heen gingen. Zoals De Nederlandsche Bank in een recent overzicht liet zien, gaf Nederland tussen 1999 en 2024 gemiddeld 1.34 procent van het bruto binnenlands product uit aan wapens. In huidige euro’s is dat ruim 13 miljard per jaar — voorwaar geen kattenpis. En daarmee bevond Nederland zich keurig in het midden van de rij, vóór landen als België, Spanje en Italië en achter grootbesteders als Polen en Griekenland.
‘Herbewapening’ en ‘remilitarisering’ zijn dan ook verkeerde termen. Ze suggereren dat er jarenlang geen geld naar het Militair-Industrieel Complex is gegaan, wat pertinent onwaar is. Zoals dezelfde historicus waarmee dit stuk begon, Adam Tooze, vorig jaar in een opiniestuk in de Financial Times betoogde: de jaren tien van deze eeuw, toen de eurocrisis woedde en versoberen het devies was, waren niet de jaren van wapenarmoe in Europa. Integendeel, in de tien jaar voor corona spendeerden de lidstaten van de EU een onvoorstelbare $ 3.15 biljoen (weer een drie met twaalf nullen (!)) aan wapens, veel meer dan Rusland, en aan het eind van dat decennium had het meer manschappen onder de wapens dan een militaire kolos als de Verenigde Staten.
Die publicitaire luwte is met de breed om zich heen grijpende militarisering in Europa definitief verdwenen. Oorlog staat sinds 24 februari 2022 boven aan de politieke agenda — en dat zullen we weten ook. En dus worden burgers dagelijks vergast op uiterst eenzijdige berichtgeving over de oorlog in Oekraïne; worden leden van het Koningshuis ingezet om dienstplicht te normaliseren; schuiven om de haverklap hoge militairen aan bij de talkshows om kijkers voor te bereiden op oorlog; vind er een ware invasie van voormalige militairen in politiek en bestuur plaats; wordt ieder halfbakken incident (‘drones’, weet u nog) aangegrepen om met een dikke, beschuldigende vinger naar de Russische vijand te wijzen; en zijn woorden als ‘sneuvelbereidheid’, ‘lethaliteit’, ‘defensiegereedheid’ en ‘vrijheidsbijdrage’ gaan behoren tot het talige meubilair van onze alledag.
‘Vrijheid’ is censuur, disciplinering en, als niets helpt, verbanning en ‘civiele dood’.
Deze normalisering wijst twee kanten op: de civiele maatschappij wordt meegezogen in een militair denkraam van ‘wij’ versus ‘zij’, van ‘offers’ en ‘helden’, van ‘vijanden’ en ‘coalities’, van ‘tactiek’ en ‘strategie’ en uiteindelijk van een geopolitiek ‘nulsomspel’—onze winst is hun verlies en vice versa — terwijl omgekeerd het Militair-Industrieel Complex opnieuw moet leren om haar belangen te draperen in de valse retoriek van veiligheid, vrede en democratie. Eerlijke, transparantie taal — en dus waarheid — is zo het eerste slachtoffer van de militarisering van het dagelijks leven.
De beroemde analyse van de taal van de Nazi’s van de ondergedoken Duits-Joodse Romanist Victor Klemperer wordt daarmee opnieuw een belangrijk document om te snappen hoe ook hier fraaie woorden in hun tegendeel zijn komen te verkeren: ‘vrede’ is jezelf tot de tanden toe bewapenen; ‘vrijheid’ is censuur, disciplinering en, als niets helpt, verbanning en ‘civiele dood’ (zie het geval Jacques Baud); ‘democratie’ is conformisme en meehuilen met de wolven uit Brussel, NAVO en EC; ‘wetenschap’ is je plooien naar het grote geld; en ‘rechtsstaat’ is een cynisch middel geworden om Carl Schmitts ‘uitzonderingssituatie’ te kunnen uitroepen.
Het heeft om die reden iets verfrissends om in een zakenkrant citaten tegen te komen van een wapenproducent die (nog) gewoon zegt waar het op staat, alsof hij zich nog in de publicitaire luwte van ervoor waant en nog niet heeft geleerd om zijn belangen te verhullen achter fraaie, zachte, civiele woorden. Zo spreekt Papperger onomwonden over het ‘grijpen’ en ‘vangen’ van belastinggeld, geeft hij aan ‘geen snars’ te weten van satellieten waar Rheinmetall desalniettemin op heeft geboden, noemt hij zichzelf onomwonden ‘een grote jongen’ die geen tijd heeft om zich bezig te houden met ‘de kleine jongens’, en zegt hij vol vertrouwen te zijn dat de groeibeloftes kunnen worden ingelost ‘omdat de orders toch wel komen.’
En als klap op de vuurpijl doet hij geen enkele moeite om te verbloemen dat hij het heerlijk vindt om dieren te doden: trots liet hij de journalist van de Financial Times weten dat hij tijdens het laatste bedrijfsuitje — traditiegetrouw een grote jachtpartij — twee reeën en een zwijn had doodgeschoten.
Het resoneert op een ongemakkelijke manier met het beeld van de elite dat bijna gelijktijdig opborrelt uit de mestvaalt van de Epstein-files, die eveneens een onbedoeld inkijkje geven in het grove, amorele, weinig empathische, narcistische, wrede, over lijken gaande, en boven de wet staande karakter van de leden van diens netwerk.
Wie weet dat wapens als eerste worden getest op de lichamen van dieren (en daarna op die van bruine mensen), heeft aan de jachtanekdote genoeg om te concluderen dat we hier vandoen hebben met een weinig fijnbesnaarde man, met een onderontwikkeld empathisch vermogen, die geniet van zijn eigen wreedheden.
Met recht een wapenboer.
Dit zijn kennelijk het soort mannen en vrouwen dat de wapenindustrie bevolkt; en dit is kennelijk wat zij zeggen en denken als zij zich niet bespied wanen.
Het resoneert op een ongemakkelijke manier met het beeld van de elite dat bijna gelijktijdig opborrelt uit de mestvaalt van de Epstein-files, die eveneens een onbedoeld inkijkje geven in het grove, amorele, weinig empathische, narcistische, wrede, over lijken gaande, en boven de wet staande karakter van de leden van diens netwerk.
Regels, wetten en moraal zijn voor de slaven, lijken zij Nietzsche na te zeggen, implicerend dat zij de Übermenschen die Nietzsche daar tegenover plaatste.
En daar gaat het mis: dat wanen zij zich namelijk alleen maar, en alleen als zij zich onbespied weten.
Wat Papperger en Rheinmetall betreft: reken maar dat dit eenmalig is geweest en dat er de volgende keer een fraai, divers en inclusief PR-bureautje over heen gegaan is om er voor te zorgen dat de uitspraken van de ceo nu wel zijn geplooid in de aanminnige, keurige taal van vrede, veiligheid, rechtsstaat en democratie.
Dat is wat dit stuk in de Financial Times zo bijzonder maakt: een eenmalige inkijk in het platte, smakeloze wereldbeeld van een wrede wapenboer.




Moeten zijn
Of ,,in de titel zou beter en/ en